maandag 29 december 2025

Rijm op de Daken

De winter schildert het woord winter 
meedogenloos
overheen onze leizwarte daken;
in waarschijn en in spiegels
waarin wij als schaduwen verdwijnen.
Ik word bewogen
zonder het licht te raken.
Je schaakt me doorheen dag en nacht,
als over ijs, 
als over een dambord van inslapen en weer ontwaken.

Ons huis verraadt met schoorstenen adem
waar armen armen verwarmen.
Het legt een melkweg op de nacht
en zacht, als laatste woorden van
een oude dichter, fluistert het
rijm op onze daken

zaterdag 22 november 2025

Zonnebloem

Ik schrijf haar op in dit gedicht
omdat ik haar niet kon bedenken.
Ze sluit het raam, vandaag was luid; maar
zij verheft zich niet. Ze zet zachtgestemde bakens
voor wie verloren is, zoals
een oude vriend een oude vriend zou wenken.

Het fluistert in haar vacht. Zachte verhalen van
vervlogen wolvendagen:
“We moeten durven breekbaar zijn;
verdriet heeft twee lettergrepen,
liefde heeft dat ook, 
dus ook dit kunnen wij samen dragen.”

Zo vormen wij één spoor: mijn voet eerst
en dan haar voet daar nog voor. 
Doelloos maar nooit verloren, 
onderweg en toch behoren.
Zo heb ik het misschien wel liever,
van één zonnebloem naar de volgende,
krakend als het moet, als op een oude fiets
van meester Anselm Kiefer.

maandag 3 november 2025

Dagboek

Ik houd voor haar
een dagboek in waterverfgedichten, van bloemen
bloeiend onder kaarslicht, van hoe zij mij
aan winter warmen leert.

Gisteren schreef ik:
ze neemt me mee naar grasvelden
waarin zilveren wolken bloeien en waar
het woord welkom bloemgewaden draagt.

Gisteren schreef ik:
ze glundert, haar tierig lijf springt uit het bed, 
als uit de tuin der lusten, 
als door het sleutelgat van een schelmenroman.

Ik houd voor haar een dagboek in waterverfgedichten,
over hoe wijze mannen kijken met z’n allen
en knikken: “Het is voor haar dat Troje is gevallen.”



maandag 6 oktober 2025

Drasland 25

Ik maak er liever geen woorden meer aan vuil,
daarom leg ik mijn oude handen op de straat,
op zoek naar haar verhalen.
Mijn geboortegrond spreekt nieuwe talen.
Er lopen sporen uit mijn verleden omhoog, om hier alsnog
hun trein te halen bij de lijnen van mijn palmen.
Onder mijn nagelranden vergaren resten van oorlogsverfpigmenten
van oorlogsmoeë mensen die niemand meer herkent. 

Wie zei ons dat we zinken zouden?
We hadden meer van Prometheus moeten houden.
Vuurvlucht nemen.
De adelaar die zijn vleugels voedt, vergeet zijn uitgestrekte klauwen.
Het is verdorie snel gegaan.
Mijn stad verzonk en ik bleef staan,
door draslandgrond gelooid tegen de levens die ik voor dit leven had.
Ommuurd, als een stad in een stad in een stad.

Maar samen met mijn handen verlaten mijn voeten nu de grond.
Pennen gelijmd, gezicht naar de zon. Wij zullen
zeldzaam zijn als een huis dat rijmt, waar wij onze dromen delen,
toekomst op nieuw weefsel borduren, als hierogliefen
op daarvoor herbestemde muren.
Stop gerust met zoeken wanneer het er niet meer toe doet.
Niet omdat je alles al hebt gevonden,
maar omdat je niets nog vinden moet.

woensdag 3 september 2025

Harp

Vanmorgen keek ik hoe dat er uitzien zou;
ik die opgebaard ga liggen. 
Gestrekte benen onder ’t deken,
handen netjes samengevouwen.
Ik probeerde mijn blos te verbleken,
mijn adem
als door plakband samengehouden.

Dood gaan vergt geduld,
zo merkte ik,
als je niet langer aan- of af- 
maar louter -wezig bent, en niets 
jou nog raakt,
je van tijd je weduwe maakt en verdwaalt
waar geen duister is,
luisterend naar een stilte als naar het groeien
van bomen en daar 
thuiskomen.

Buiten rolde de nacht van de straat en
stapte daarbij op de staart van de kater die daar zat.
Binnen startte harpmuziek, 
als van een engel, 
als de wekker van mijn lief die de kamer deed ontwaken, 
en als het begin van een nieuw leven 
doken, als kleine knollen 
vanuit donkere kluiten grond,
mijn tenen vanonder ’t laken.