“Vandaag gaat Jan* sterven.”
Het nieuws struikelt de tafel over,
over-valt mij, een sinistere
dan de meer gerodeerde formule:
“Wist je, Jan is gestorven. Gisteren.”
Ben ik te weinig gewend aan de kalender waarop
een afspraak met de dood geschreven staat, samen
met de dokter en de pastoor?
In welke kleur noteer je die daarop? En gebruik je daar dan
hoofdletters bij, of zet je daar een uitroepteken voor?
Ben ik nog te weinig gewend dat wij,
ons op de dood mogen beroepen en
als het óns uitkomt – en niet hem -,
wij de dood ter dienste mogen roepen?
Net zoals Jan dat vandaag doet.
Ik wou er iets over schrijven, maar
op de ovenklok is het net 16u00 geweest.
Bon voyage, Jan.
Het ga je goed.
woensdag 4 maart 2026
Reis
woensdag 3 september 2025
Harp
Vanmorgen keek ik hoe dat er uitzien zou;
ik die opgebaard ga liggen.
Gestrekte benen onder ’t deken,
handen netjes samengevouwen.
Ik probeerde mijn blos te verbleken,
mijn adem
als door plakband samengehouden.
Dood gaan vergt geduld,
zo merkte ik,
als je niet langer aan- of af-
maar louter -wezig bent, en niets
jou nog raakt,
je van tijd je weduwe maakt en verdwaalt
waar geen duister is,
luisterend naar een stilte als naar het groeien
van bomen en daar
thuiskomen.
Buiten rolde de nacht van de straat en
stapte daarbij op de staart van de kater die daar zat.
Binnen startte harpmuziek,
als van een engel,
als de wekker van mijn lief die de kamer deed ontwaken,
en als het begin van een nieuw leven
doken, als kleine knollen
vanuit donkere kluiten grond,
mijn tenen vanonder ’t laken.