woensdag 13 mei 2026

De Wandelaar

De wandelaar
struint 
naar het hoofdeind van zijn schaduw
in een duinenzon die dwaalt doorheen de valleien van de stad
of doorheen straten tussen bergen,
- maakt niet zo heel veel uit -
hij struint maar wat, want
zodra hij zijn ogen sluitvoelt hij ‘t groeiend gras onder zijn ontblote voeten
als de bloesems aan de takken van dromen die hij had

De wandelaar
struint
De lucht is stug 
maar zijn stok duwt de wereld, als een vaarboom, 
hij kromt zijn rug als de brug der zuchten:
hij kwam vanuit het niets opgedoken
en draait de aarde die onder zijn voeten slijt,
nu ook nergens naar terug.

De wandelaar
struint
het haasten ontgroeid, hij laat voortaan de tijd ongemoeid
als de herfst die loslaat wat ooit moest. Hij ademt
vanuit een windstil gemoed dat nooit nog stormt:
hij weet dat er geen ene richting is en dat
het pad zich pas in onze sporen vormt.
Hij staat als op een bergtop,
kijkt naar beneden, naar het leven gesneden in het dal
er is nu enkel nog horizon:
oeverloos leven komt na de waterval.




vrijdag 1 mei 2026

Wildernis

Ik hoor je stem in echo’s,
gebarsten maar verbeten,
vanuit de verte,
vanuit een leegte
als van schepen die de zee verlaten weten.

In echo’s,


in flessenpost in de onzekerheid van oevers
van het middernachtmeer; daar
in penseelvegen, als olie op water,
drijft de maan de zwaan achterna
en even onbewogen,
kring jij bij mij vandaan.

In echo’s;

Mag ik je vertalen
in mijn wildernis van woorden, want
dit laat zich niet herhalen. (x3)

zondag 12 april 2026

Woorden

Ze schrijft alsof ze keien neerlegt,
voorzichtig, 
om het stromen niet te storen
en eenmaal de kei gevlijd,
luistert ze naar het licht op het oppervlak

dat door haar ingreep werd geboren.

Ze dicht als een bron die ik omarmen kan.
Ik lees haar als een schilderij
dat traant onder haar vingertoppen,
in parels als van primitieven, als van een wereld geschapen
uit kleine druppels klei.

Jij kent alle woorden, zegt ze,
terwijl ze bloesems op mijn lippen legt,
fluister ze voor mij.

 

maandag 23 maart 2026

Hier kruisen onze wegen

Ik wist een gepensioneerde pendelaar
op reis onder een bruidsjurken hemel. 
Hij schoof als oud stoomtreinen wolken
langsheen de toren van de kerk,
weerde over zijn werk en zei,
of beter hij sprak,
- ’t was niet in’t bijzonder tegen mij - 

“Er zijn 14 staties aan de kruisweg,
als aan een lokale trein,
en op elk perron staat diezelfde man
die niemand nog wil zijn.”


Zijn uitgestoken hand vulde zich
met stilte. Gekromde vingers
zochten woorden net buiten zijn bereik
en bij elke schuivende stap verloor hij meer zinnen
van zijn geprevelde gelijk.

Buiten zinnen. Zijn verleden werd leden.
Te ver. Te ver geefs. Schemer van ver blinden.
Hij kon ze niet meer vinden. 

De rijzenis. De giffenis. De geving van het driet.
Te ver. Het lies dat hij leed, het geten dat hij liet.
De doving van bazing na bazing, en
geen andering in zicht.
Te ver. Zijn leven een gissing zonder klaring,  
de deuren van zijn haal schoven langzaam
dicht.


“Er zijn 14 staties aan de kruisweg,
als aan een lokale trein,
en op elk perron staat diezelfde man
die niemand nog zal zijn.”