Oude heren van weleer,
verzamelden luister met aanmaakwoorden,
hun verhalen voedden het vuur.
Zo lees ik jou in de houtskoollijn van de stad
op de penseelveeg van de herfst
brandend in het ochtenduur.
Wij leven in haar flintervilten wolken.
Langzaam.
Schuivend als badsop op onze badkamertegels
wanneer jij met je lenden lacht,
om de warmwaterbron die brandend
onder ons zit.
Wij zijn vlakbij.
Verzin me een
betere plek dan dit
Dan leven in diezelfde kleuren,
als in jouw blauwe bloemenkleed
en weten: op een dag zullen wij kersen eten
net zoals Van Gogh dat deed.
For Fox' Sake
Mijn alledaagse verwonderingen, verbijsteringen en verwensingen.
vrijdag 16 oktober 2026
Kers
zaterdag 29 augustus 2026
Dit Alles en Zij
Ik heb de bovenzijde nooit gezien,
zei de zorgeloze man
- de wereld aan zijn vingertoppen -
tegen de meeuw die naast hem zat.
Hier onder deze brug in zomerschaduw,
vind je alles wat je hebben moet, hier
tussen het piratenschip en het grote reuzenrad.
Er zitten oude mannen bij oude tafels,
ze staren oude gedachten over de rivier,
en als zonlicht op het water dwarrelen
kleine meisjes door kleine berenboeken hier.
Hij merkte niet eens hoe ik verdween,
tussen zijn helden en theaterstukken,
met mijn hart en handen vol,
van alle tijd die ik hier kon plukken.
Misschien is dit geluk.
Misschien.
Dit alles
en zij,
die dit alles heeft gezien.
zaterdag 25 juli 2026
Pentimenti
Ik heb niets meer
te vertellen.
Ik overschilder de deur tussen dag en duisternis
waarachter enorme
woordengolven stormen.
Zo zandloper ik mezelf
naar die stilte die stilte mijdt;
wijs in het niets meer willen weten,
omdat elk denken tot meer denken leidt.
Geluk is te leven in die rust,
in diezelfde onderhuidse woorden
waarmee jij tot
mij spreekt
over grote kleine dingen,
zoals zien hoe maanlicht de parel op mijn nachttafel ontsteekt.
en niet het gemis,
van een hand die een lichaam ontbreekt.
maandag 18 mei 2026
Toevlucht
Zo kom ik naar jou:
boven op de rots waar ik mijn toevlucht vind,
en onder mijn open schild
aan wolken vraag
waar de biddende torenvalk jaagt vandaag,
op al die minnende mensen,
gehuld in duiventooi.
Zie ze daar schrijden, mooi,
in heilige schijn,
langsheen de wijkende zijde
van het zingen van beelden,
verstoken van weelde
om hun uit steen gehouwen verdriet.
Maar wij,
wij wijken niet.
Niet nu de avond begint.
Zo kom ik naar jou
boven op de rots waar ik mijn toevlucht vind.