maandag 23 maart 2026

Hier kruisen onze wegen

Ik wist een gepensioneerde pendelaar
op reis onder een bruidsjurken hemel. 
Hij schoof als oud stoomtreinen wolken
langsheen de toren van de kerk,
weerde over zijn werk en zei,
of beter hij sprak,
- ’t was niet in’t bijzonder tegen mij - 

“Er zijn 14 staties aan de kruisweg,
als aan een lokale trein,
en op elk perron staat diezelfde man
die niemand nog wil zijn.”


Zijn uitgestoken hand vulde zich
met stilte. Gekromde vingers
zochten woorden net buiten zijn bereik
en bij elke schuivende stap verloor hij meer zinnen
van zijn geprevelde gelijk.

Buiten zinnen. Zijn verleden werd leden.
Te ver. Te ver geefs. Schemer van ver blinden.
Hij kon ze niet meer vinden. 

De rijzenis. De giffenis. De geving van het driet.
Te ver. Het lies dat hij leed, het geten dat hij liet.
De doving van bazing na bazing, en
geen andering in zicht.
Te ver. Zijn leven een gissing zonder klaring,  
de deuren van zijn haal schoven langzaam
dicht.


“Er zijn 14 staties aan de kruisweg,
als aan een lokale trein,
en op elk perron staat diezelfde man
die niemand nog zal zijn.”


 

woensdag 4 maart 2026

Reis

“Vandaag gaat Jan* sterven.”
Het nieuws struikelt de tafel over,
over-valt mij, een sinistere
dan de meer gerodeerde formule:
“Wist je, Jan is gestorven. Gisteren.”

Ben ik te weinig gewend aan de kalender waarop
een afspraak met de dood geschreven staat, samen
met de dokter en de pastoor?
In welke kleur noteer je die daarop? En gebruik je daar dan
hoofdletters bij, of zet je daar een uitroepteken voor?

Ben ik nog te weinig gewend dat wij, 
ons op de dood mogen beroepen en 
als het óns uitkomt – en niet hem -, 
wij de dood ter dienste mogen roepen?
Net zoals Jan dat vandaag doet.

Ik wou er iets over schrijven, maar 
op de ovenklok is het net 16u00 geweest.
Bon voyage, Jan.
Het ga je goed.


dinsdag 24 februari 2026

Parel

Ik ben gewond, maar ik adem mijn
mineraal verhaald verleden geduldig,
als een golfslag die maanlicht neerlegt
op zacht verzakkend zilveren zand,

waar voetafdrukken evenwicht vonden
in aangespoelde woorden die, net als ik,
uit melkwit marmer bestonden:
“Ik adem, want ik werd gevonden.”

Onbreekbaar erbarmen.
Dans met mij, parelmaker. 
Veranker mij in je armen.


maandag 26 januari 2026

Ithaka

Als ik het niet met woorden doe,
hoe omhels ik haar dan voor altijd?
Hoe stuur ik de wind in mijn zeil,
als ik het niet met woorden doe?

Kijk, de vrouw, daar zit zij,
bovenaan mijn boek, als op een klip.
Een kleine kijk in haar koninkrijk,
telkens ik een bladzij keer
en daarom lees ik er nu meer,
hier bij haar gezeten.

De golf zal het getij waarin hij strandde nooit vergeten
Als ik het niet met woorden doe, dan
draag ik haar naam in mijn handen.
Zij heeft in mijn omzwerven steeds
Penelope geheten.


maandag 19 januari 2026

Content

Dit:
sneeuw dwarrelt nooit van je weg
sneeuw dwarrelt altijd op je toe
ik wandel niet
ik vlok
de straat lijkt op een straat uit een boek
wanneer een bromfietser de hoek om tsjokt,
zich daar zadelt, bovenop dit gedicht,
doorheen mijn ademwolkenwoorden snort,
zijn helm net te klein voor zijn gezicht.

Een moment is hij bevroren in mijn tijd,
onzichtbaar als een duin in winter.
Een moment is hij gewichtloos
als een kind dat geen zwaartekracht erkent;
vlokken en vloeken smelten niet samen.
Hij vervlecht zijn stuur en roodbevroren vuisten;
recht zijn rijwiel.
Voor een moment
content.