De wandelaar
struint
naar het hoofdeind van zijn schaduw
in een duinenzon die dwaalt doorheen de valleien van de stad
of doorheen straten tussen bergen,
- maakt niet zo heel veel uit -
hij struint maar wat, want
zodra hij zijn ogen sluit, voelt hij ‘t groeiend gras onder zijn ontblote voeten
als de bloesems aan de takken van dromen die hij had
De wandelaar
struint
De lucht is stug
maar zijn stok duwt de wereld, als een vaarboom,
hij kromt zijn rug als de brug der zuchten:
hij kwam vanuit het niets opgedoken
en draait de aarde die onder zijn voeten slijt,
nu ook nergens naar terug.
De wandelaar
struint
het haasten ontgroeid, hij laat voortaan de tijd ongemoeid
als de herfst die loslaat wat ooit moest. Hij ademt
vanuit een windstil gemoed dat nooit nog stormt:
hij weet dat er geen ene richting is en dat
het pad zich pas in onze sporen vormt.
Hij
staat als op een bergtop,
kijkt naar beneden, naar het leven gesneden in het dal
er is nu enkel nog horizon:
oeverloos leven komt na de waterval.