Zo kom ik naar jou:
boven op de rots waar ik mijn toevlucht vind,
en onder mijn open schild
aan wolken vraag
waar de biddende torenvalk jaagt vandaag,
op al die minnende mensen,
gehuld in duiventooi.
Zie ze daar schrijden, mooi,
in heilige schijn,
langsheen de wijkende zijde
van het zingen van beelden,
verstoken van weelde
om hun uit steen gehouwen verdriet.
Maar wij,
wij wijken niet.
Niet nu de avond begint.
Zo kom ik naar jou
boven op de rots waar ik mijn toevlucht vind.
maandag 18 mei 2026
Toevlucht
maandag 23 maart 2026
Hier kruisen onze wegen
Ik wist een gepensioneerde pendelaar
op reis onder een bruidsjurken hemel.
Hij schoof als oud stoomtreinen wolken
langsheen de toren van de kerk,
weerde over zijn werk en zei,
of beter hij sprak,
- ’t was niet in’t bijzonder tegen mij -
“Er zijn 14
staties aan de kruisweg,
als aan een lokale trein,
en op elk perron staat diezelfde man
die niemand nog wil zijn.”
Zijn uitgestoken
hand vulde zich
met stilte. Gekromde vingers
zochten woorden net buiten zijn bereik
en bij elke schuivende stap verloor hij meer zinnen
van zijn geprevelde gelijk.
Buiten zinnen. Zijn verleden werd leden.
Te ver. Te ver geefs. Schemer van ver blinden.
Hij kon ze niet meer vinden.
De rijzenis. De giffenis. De geving van het driet.
Te ver. Het lies dat hij leed, het geten dat hij liet.
De doving van bazing na bazing, en
geen andering in zicht.
Te ver. Zijn leven een gissing zonder klaring,
de deuren van zijn haal schoven langzaam
dicht.
“Er zijn 14
staties aan de kruisweg,
als aan een lokale trein,
en op elk perron staat diezelfde man
die niemand nog zal zijn.”
maandag 6 oktober 2025
Drasland 25
Ik maak er liever geen woorden meer aan vuil,
daarom leg ik mijn oude handen op de straat,
op zoek naar haar verhalen.
Mijn geboortegrond spreekt nieuwe talen.
Er lopen sporen uit mijn verleden omhoog, om hier alsnog
hun trein te
halen bij de lijnen van mijn palmen.
Onder mijn
nagelranden vergaren resten van oorlogsverfpigmenten
van oorlogsmoeë mensen
die niemand meer herkent.
Wie zei ons dat we zinken zouden?
We hadden meer van Prometheus moeten houden.
Vuurvlucht nemen.
De adelaar die zijn vleugels voedt, vergeet zijn uitgestrekte klauwen.
Het is verdorie snel gegaan.
Mijn stad verzonk en ik bleef staan,
door draslandgrond gelooid tegen de levens die ik voor dit leven had.
Ommuurd, als een stad in een stad in een stad.
Maar samen met mijn handen verlaten mijn voeten nu de grond.
Pennen gelijmd, gezicht naar de zon. Wij zullen
zeldzaam zijn als een huis dat rijmt, waar wij onze dromen delen,
toekomst op nieuw weefsel borduren, als hierogliefen
op daarvoor herbestemde muren.
Stop gerust met
zoeken wanneer het er niet meer toe doet.
Niet omdat je alles al hebt gevonden,
maar omdat je niets nog vinden moet.
zondag 25 mei 2025
Sluis
Vandaag zag ik een dame vechten
tegen alle elementen en een halve kilo zwaartekracht.
Je lacht, maar
weinig houd ik vast,
(mijn stuur toen ik haar zag)
zoals zij, twee vuisten, aan haar volgeladen winkelkar.
Een stormram, zij,
die een storm temmen kan,
die de zondvloed keren doet,
die de ringweg over moet.
Een welbespaakte fietser duikt op uit de gracht
Zij sluist haar ogen fijn;
die gaat zijn peren zien.
Ze stooft op rozenrode sloffen
Poire Belle Hélène.