Ik wist een gepensioneerde pendelaar
op reis onder een bruidsjurken hemel.
Hij schoof als oud stoomtreinen wolken
langsheen de toren van de kerk,
weerde over zijn werk en zei,
of beter hij sprak,
- ’t was niet in’t bijzonder tegen mij -
“Er zijn 14
staties aan de kruisweg,
als aan een lokale trein,
en op elk perron staat diezelfde man
die niemand nog wil zijn.”
Zijn uitgestoken
hand vulde zich
met stilte. Gekromde vingers
zochten woorden net buiten zijn bereik
en bij elke schuivende stap verloor hij meer zinnen
van zijn geprevelde gelijk.
Buiten zinnen. Zijn verleden werd leden.
Te ver. Te ver geefs. Schemer van ver blinden.
Hij kon ze niet meer vinden.
De rijzenis. De giffenis. De geving van het driet.
Te ver. Het lies dat hij leed, het geten dat hij liet.
De doving van bazing na bazing, en
geen andering in zicht.
Te ver. Zijn leven een gissing zonder klaring,
de deuren van zijn haal schoven langzaam
dicht.
“Er zijn 14
staties aan de kruisweg,
als aan een lokale trein,
en op elk perron staat diezelfde man
die niemand nog zal zijn.”