Ze schrijft alsof
ze keien neerlegt,
voorzichtig,
om het stromen niet te storen
en eenmaal de kei gevlijd,
luistert ze naar het licht op het oppervlak
dat door haar
ingreep werd geboren.
Ik lees haar als een schilderij
dat traant onder haar vingertoppen,
in parels als van primitieven, als van een wereld geschapen
uit kleine druppels klei.
Jij kent alle woorden, zegt ze,
terwijl ze bloesems op mijn lippen legt,
fluister ze voor mij.