Zo kom ik naar jou:
boven op de rots waar ik mijn toevlucht vind,
en onder mijn open schild
aan wolken vraag
waar de biddende torenvalk jaagt vandaag,
op al die minnende mensen,
gehuld in duiventooi.
Zie ze daar schrijden, mooi,
in heilige schijn,
langsheen de wijkende zijde
van het zingen van beelden,
verstoken van weelde
om hun uit steen gehouwen verdriet.
Maar wij,
wij wijken niet.
Niet nu de avond begint.
Zo kom ik naar jou
boven op de rots waar ik mijn toevlucht vind.