Ik houd voor haar
een dagboek in waterverfgedichten, van bloemen
bloeiend onder kaarslicht, van hoe zij mij
aan winter warmen leert.
Gisteren schreef ik:
ze neemt me mee naar grasvelden
waarin zilveren wolken bloeien en waar
het woord welkom
bloemgewaden draagt.
Gisteren schreef ik:
ze
glundert, haar tierig lijf springt uit het bed,
als uit de tuin der lusten,
als door het sleutelgat van een schelmenroman.
over hoe wijze mannen kijken met z’n allen
en knikken: “Het is voor haar dat Troje is gevallen.”