zaterdag 21 juni 2025

Aire de Morvan

Ze glinstert, zoals je in oude auto’s glinstert
waar ramen nog met zwengels gaan.
Ze maakt haar rok wat korter.
Hij schuift naar rijvak twee.
De zon valt op zijn hand 
valt op haar knie.
Zij is zijn zomer en zij rijdt met hem mee.

Zij overstemt de evidentie van lente en
winter vlindert om haar heen.
Niemand geeft adem aan de stilte van het sterven van herfst
als zij, nevel nestelt zich niet bij haar onderdak.
Kijk, zij ving de hele zon daarnet,
gewoon toen ze haar haar opstak.
Zij is zomers erogene zone
zoals zij leeft met alle ramen open.

Zij reizen niet. Zij komen thuis.
De wind zingt met Franse tongval hier,
de tijd is hier wat slomer.
Zij rijden in hun rode Renault 4 
zoals de letter ‘R’ op het einde
van het woord zomer.

 

zondag 25 mei 2025

Sluis

Vandaag zag ik een dame vechten

tegen alle elementen en een halve kilo zwaartekracht.
Je lacht, maar
weinig houd ik  vast,

(mijn stuur toen ik haar zag)

zoals zij, twee vuisten, aan haar volgeladen winkelkar.

Een stormram, zij,

die een storm temmen kan,
die de zondvloed keren doet,

die de ringweg over moet.

Een welbespaakte fietser duikt op uit de gracht
Zij sluist haar ogen fijn;

die gaat zijn peren zien.
Ze stooft op rozenrode sloffen

Poire Belle Hélène.

maandag 19 mei 2025

Er is geen tijd dan ouder worden

Er woont een oude dichter in de straat,
net om de hoek
als een enjambement, 
in een krakend huis van perkament
waar hij in het midden van zijn week,
in de badkamer bijvoorbeeld,
zoekt hoeveel nieuwe oude woorden hij nog kent.

Doorheen het avondraam debiteert hij
aan toondove marktkramers honderd ongelezen gedichten
met zijn handen op zijn rug
zoals grootouders dat doen, zichzelf vasthouden,
wanneer ze hun kleinkinderen uitwuiven en dan
onzichtbaar terugkeren op hun zondagse passen,
pantoffelzacht, in de stilte van de
aangesneden taart die binnen onaangeroerd nog wacht.

Hij schrijft over het verwelken van bloemen en
over welke mensen hij ruïnes noemt,
vroeger was hij beroemd, hij telt de kelken
waaruit zijn gelauwerde woorden stroomden,
gestrooid voor leeftijdsgenoten,
schreef hen een grafrede die hij zelf niet wou.
Er is geen tijd dan ouder worden.
 

Epiloog

Er vallen stenen in de kerktuin, wanneer ik er
kniediep, mijn rivier delf.
Stoot op de bedding van zijn skelet, zijn
stapstenen staan nog steeds waar hij ze heeft gezet .
Ik waad doorheen zijn verleden:
De rivier heeft geen datum.
De rivier heeft geen schaduw.
De rivier heeft geen reden.

zondag 20 april 2025

Trap

Er staat een glazen trap
in de Vlaamse schuur van de Moeren.
Op blote voeten, als loopt ze op lucht,
ontkleedt zij zich
trede per trede
tot op haar contouren,
tot zij zich evenwijdig aan diep gereden karrensporen
bij de aarde voegt.
Daar gedijt zij,
omarmd door haar aanleg
om ademloos te ademen, 
als klei in klei.
Zo omhelst ze mij,
tijdloos,
als een kunstwerk.