Oude heren van weleer,
verzamelden luister met aanmaakwoorden,
hun verhalen voedden het vuur.
Zo lees ik jou in de houtskoollijn van de stad
op de penseelveeg van de herfst
brandend in het ochtenduur.
Wij leven in haar flintervilten wolken.
Langzaam.
Schuivend als badsop op onze badkamertegels
wanneer jij met je lenden lacht,
om de warmwaterbron die brandend
onder ons zit.
Wij zijn vlakbij.
Verzin me een
betere plek dan dit
Dan leven in diezelfde kleuren,
als in jouw blauwe bloemenkleed
en weten: op een dag zullen wij kersen eten
net zoals Van Gogh dat deed.
vrijdag 16 oktober 2026
Kers
zondag 17 november 2024
Tegendraads
Wat vind je van dit idee?
Laten wij in het schaapachtig kwartier
dat ik hier verliezen zal
onder dit bladerdeken en een handvol woorden
in mijn rantsoen, binnen waaien.
Geloven in de zon, met de wind mee
draaien en grijze lucht tot wollen warmte maken. De herfst is
een tegendraads
seizoen
Maar voor ik verdwaal: neem je jas, neem je sjaal.
Wandel even mee in deze hypothese:
Niets is waarlijk geschreven totdat jij het hebt gelezen
Het is maar een gedachte maar ik dacht te verwachten
dat
aangekoekte resten van verkoold gebakken verzen
ook in de gedachte barsten dat zij in jouw nevel
leven moesten keren.
Stekeblind, stotterend op mijn stenen
voeten zoeken
want hoe moet je een gevoel dan voelen
als woorden niet zeggen wat woorden bedoelen?
Wel, reken op de regen om het roet
weer weg te spoelen en vertrouw
dat jij jezelf niet langer tegenhoudt:
het is nooit de rivier die de dam heeft gebouwd.
Zo ook met het stromen van dat zondig zomerlicht
dat op dit ogenblik buiten weer verdwijnt.
Neem mijn pen, kleur alle kieren van je twijfel dicht,
bedenk: waarom zou ik over schaduw spreken
terwijl er zoveel licht nog op me schijnt.
En kom me hier vinden:
ik zal je bezingen.
Jij bent alleen maar goede dingen
Laten wij hier de seizoenen keren,
want hoe zal de wereld liefde kennen
als wij het hen niet leren.
dinsdag 22 oktober 2024
Cursief
Mee met de wind,
mijn lief.
Het is herfst en het is dinsdag en
de zon staat cursief op mijn scherm
waarop zij zich met woorden
over mij nu ontfermt.
Ze geeft me vleugels op vleugels op
vleugels,
schaatsend in licht als in een
Breughels
landschap. Het hart fladdert en ik flaneer
doorheen de vele velden vliegend langs het raam
naast mijn reizend lichaam,
dankbaar op de bank daar
naar de rugzij van mijn trein.
Gauw
zal ik weer
bij haar
zijn.