Wat is je leven meer dan een
verhaal waarin jij de hoofdrol speelt? Sinds ik zelf aan een verhaal aan het
schrijven ben, stel ik mij steeds vaker die vraag. Is er een wezenlijk verschil
tussen de fictie die we schrijven en de vele levensverhalen die we dagelijks
rondom ons haast onopgemerkt laten passeren? Volgens de traditionele
verhaalboog zijn er drie grote fasen in elke verhaal, met twee kantelmomenten.
De eerste fase is de introductie, de expositie, waarin je de setting en de
personages leert kennen, de modaliteiten waarbinnen het verhaal zich zal ontwikkelen.
In het echte leven is dat niet anders. Hoeveel van onze jonge jaren spenderen
we denkend dat we ons leven al volop aan het beleven zijn, terwijl we in
retrospect meewarig glimlachen met onze eigen naïviteit tijdens de introductie
van ons leven. Onze hele jeugd leren we over het leven, letterlijk en figuurlijk.
We leren over het leven en we leren leven. Met jeugd bedoel ik trouwens
makkelijk tot je mid-twintigerjaren. Zo lang je niet zelfstandig en onafhankelijk
aan je eigen verhaal aan het schrijven bent, ben je nog in de introductie tot
het leven. In die eerste fase zitten mogelijk al wat verhaalelementen die jou
als personage zullen vormen, maar het leven moet zich op jouw pad nog echt
ontplooien.
Het verhaal komt pas goed op
dreef bij het motorisch moment. De gebeurtenis die de conflictontwikkeling van
ons verhaal lanceert. Een gebeurtenis waar we als personage mee aan de slag
moeten. Iets wat we niet kunnen laten passeren. Iets wat ons een doel en
streven zal voorschotelen. De start van onze queeste, onze opdracht. Het is
moeilijk te pinpointen waar we in ons leven dat incident hebben geregistreerd,
als we het al zouden beseft hebben in de eerste plaats. Want wie heeft er voor
zichzelf al een doel uitgetekend waartoe dit leven zich met al haar conflicten
zal brengen en wat heeft dat doel in jou geïnstalleerd. Er zijn wat mij betreft
maar twee waarheden in het leven. De ene is liefde, de andere is de dood. De
zoektocht naar de eerste en de vlucht van de tweede. Al de rest zijn
modaliteiten, verstrooiingen. Zouden we niet alle verhalen uiteindelijk kunnen
terugbrengen naar die essentie? Is dat niet wat we allemaal op onze eigen manier,
in onze eigen setting, met onze eigen wapens en bondgenoten proberen te
realiseren? Het vinden van liefde die het leven zo zinvol maakte dat we niet
meer moeten vluchten voor het afscheid van de zoektocht.
De tweede verhaalfase na het
motorisch moment is de conflictontwikkeling. Met ups-and-downs, meeval en
tegenslag, worstelen we ons naar ons doel. Tragiek en euforie, hand in hand.
Want we weten waar we naartoe willen. Het geluk ligt daar, ergens, maar de weg
erheen is bezaaid met draken en trollen. We worden van ons pad gebracht door wat
andere mensen vinden van ons parcours en of dat parcours wel past in de
verhaallijn die zij voor ons hadden uitgetekend. Elke dag die voorbij is, is
een bladzijde die omgedraaid wordt. We weten nog niet hoe lijvig ons verhaal is,
waar het laatste hoofdstuk plots opduikt. Maar elke omgeslagen bladzijde brengt
ons dichter. Elke geleefde dag is er eentje die we niet meer terugkrijgen. Er
is niets zo dwingend als de gedachte van morgen. Gisteren is nu onderdeel van
het verhaal. Morgen is de dreigende onbekende. Zij die hun doel dachten te
hebben bereikt, moeten hun geluk nu bestendigen. Zij die het nog niet vonden,
zien de tijd genadeloos verder tikken. Bladzijde na bladzijde. Het tweede
kantelmoment is de climax van het verhaal. Het hoogtepunt van wat onze protagonist
in zijn ontwikkeling zal hebben bereikt.

Alles wat hier nog op volgt is de
afloop, de afwikkeling. Vanaf nu zijn we op weg naar het einde dat voor ons
werd weggelegd. Je hebt als een complex hoofdpersonage je rol gespeeld. Je wilde
wat van dit leven. Je had dingen nodig in je leven. Dat waren niet noodzakelijk
dezelfde dingen. Vaak is dat niet het geval. We willen niet altijd wat we eigenlijk
nodig hebben in het leven, en omgekeerd dus ook niet. Zo ontstaat er een
vierkamerige matrix die jouw potentiële afloop voorspelt: gaf het leven jou wat
je nodig had en wat je wou? Eindig je wel met wat je nodig had, maar niet wat
je eigenlijk wilde? Of kreeg je wat je wou, maar bleek het niet te zijn wat je
echt nodig had? In het slechtste geval dreigt jouw hele strijd je met lege handen
achter te laten: noch wat je wou, noch wat je nodig had. Er is geen auteur naar
wie we boos zullen kunnen opkijken als het einde ons niet aanstaat.
Misschien is dat het grote
verschil dan toch met onze fictieverhalen. In verhaal dat ik verzin en
neerschrijf kan ik kiezen welk einde ik mijn protagonist al dan niet gun. Ik
stel samen met hem vast waarnaar zijn pad hem heeft gebracht en geef het dan
vorm. Eenmaal het boek ter perse gaat, ligt het verhaal voor eeuwig vast. Er
rest de lezer geen andere optie dan de laatste bladzijde te lezen en het boek
te sluiten. Het verhaal kan niet ontlezen worden. Het was wat het was, bij
gratie van de eindredactie. In ons eigen verhaal kunnen we echter niet rekenen
op een redacteur die ingrijpt. Dit verhaal moet je zelf tot een goed einde
brengen.
De strijd met de Geworfenheit
waar de romantici zo mee worstelden. Het lot dat niet in onze handen ligt. Hoe
we in het leven geworpen werden en er nu mee zitten en verder moeten. De grote
opdracht: leven. Niemand komt je jouw happy end brengen. Dat moet je zelf
vormgeven. Vind je prins, je prinses, je niet-gendergedefinieerde geliefde. Hou
van het leven. Creëer je modaliteiten. Schrijf. Zet je muziek lekker luid.
Speel met je kinderen alsof je er zelf eentje bent. Geniet. Er is poëzie en er
is wijn. Er is liefde. Ergens bestaat
ze. Vind ze. Deel ze. Leer ze aan de volgende generaties. Sluit de achterflap
van je verhaal met een glimlach. Het zoeken is voorbij.