Vanmorgen keek ik hoe dat er uitzien zou;
ik die opgebaard ga liggen.
Gestrekte benen onder ’t deken,
handen netjes samengevouwen.
Ik probeerde mijn blos te verbleken,
mijn adem
als door plakband samengehouden.
Dood gaan vergt geduld,
zo merkte ik,
als je niet langer aan- of af-
maar louter -wezig bent, en niets
jou nog raakt,
je van tijd je weduwe maakt en verdwaalt
waar geen duister is,
luisterend naar een stilte als naar het groeien
van bomen en daar
thuiskomen.
Buiten rolde de nacht van de straat en
stapte daarbij op de staart van de kater die daar zat.
Binnen startte harpmuziek,
als van een engel,
als de wekker van mijn lief die de kamer deed ontwaken,
en als het begin van een nieuw leven
doken, als kleine knollen
vanuit donkere kluiten grond,
mijn tenen vanonder ’t laken.