vrijdag 30 april 2021

Never Never Never

Help me even. Misschien het krassen van een ganzenveer op nieuw uitgerold perkament. Misschien die eerste langzame stap in een krakend vers sneeuwtapijt in de stilte van een donkere winternacht. Misschien de zucht die aan een kurk ontsnapt bij het openen van een fles bubbels in de badkamer. Misschien het geratel van een oude typemachine die manisch poëzie doorheen haar lint hamert. Misschien de gedempte percussie van de regen op de ramen als je binnen alle lichten doofde. Allemaal prikkelend mooi. Maar zoals de naald van mijn pick-up net nostalgisch kraakte in de aanloop naar het eerste nummer op mijn 33-toeren van Shirley Bassey, zo zijn er niet veel geluiden. Het zijn die twee seconden van afwachting. Twee seconden stilte, die geen stilte zijn. Twee seconden dat het verleden de lucht van het heden doorkruist. Dame Shirley Bassey hoeft nog niet eens te zingen, de melancholie meandert de kamer al in.

Het warme geluid van de pick-up werd in mijn bescheiden levensloop weggeduwd door respectievelijk muziekcassettes, compact discs, mp3’s en streamingplatformen. Maar wat ben ik blij dat ik er opnieuw eentje in huis haalde. Een vinylplaat opleggen is een daad van liefde. Neuzen doorheen je collectie. Voorzichtig de vinyl uit de vintage kartonnen en papieren hoes halen vanonder de obligatoir bizar gestylde albumcovers uit lang vervlogen tijden. Shirley kijkt me met haar diepe donkere ogen aan doorheen haar dik aangezette wimpers. Een blik die vertrok in 1973 en nu aankomt in 2021. Het weekend zit er aan te komen, mevrouw Bassey. If you will do the honours.

“I'd like to run away from you, but if you never found me I would die. (…) For whatever you do I never, never, never want to be in love with anyone but you”, zo opent ze de titelsong van het album. De toon is gezet. De soundtrack om deze regenachtige en grijze lentedag om te toveren in een warme deken. Muziek die nesteldrang opwekt. Het mag beginnen sneeuwen. De fles bubbels mag open. De typemachine mag worden geolied. Geen Netflix of Spotify of klinisch digitaal divertissement vanavond. 2021 mag even op pauze. Uw voertuig is er, Dame Bassey, ik zal u vergezellen. Helemaal naar 1973. “But I'll want you till the world stops turning. For whatever you do, …  I never, never, never want to be in love with anyone but you.”

zondag 11 april 2021

Metamorfose

 “As Gregor Samsa awoke one morning from uneasy dreams he found himself transformed in his bed into a gigantic insect.”


Ja, die brave Gregor had het makkelijk. ’s Ochtends wakker worden en een volledig nieuwe mens zijn. Excuseer, een nieuw insect. Maar dan nog. Ik wens het mezelf soms toe. Wakker worden onder een compleet nieuwe set voorwaarden en nieuwe modaliteiten. Zappen tussen parallelle universa waarin we andere mensen zijn. Om zo het leven meer geleefd te hebben. Om wijsheid te vergaren over armoede en rijkdom, over religie en doctrine, over gender, over eenzaamheid en populariteit, over filosofie en poëzie, over verleden en toekomst. Ik moet er voor de volledigheid wel aan toevoegen dat het lot van onze Gregor, de protagonist uit Die Verwandlung  (De Metamorfose) van Franz Kafka, heel wat minder lyrisch is. De arme mans gedaanteverwisseling is van die aard dat het niet alleen zijn omgeving en familie van hem alieneert, maar dat hij ook voor zichzelf referentieloos achterblijft: “
I cannot make you understand. I cannot make anyone understand what is happening inside me. I cannot even explain it to myself.” Wanneer zijn onvermogen om in zijn nieuwe gedaante met de buitenwereld te communiceren hem helemaal geïsoleerd heeft, besluit Gregor om zichzelf uit te hongeren. Een dramatische einde voor zijn ongevraagde metamorfose. Het boek kent ondertussen evenveel interpretaties als uitgaves. Sommigen zien hierin het onvermogen dat we allemaal in ons dragen om onze existentie zinvol te maken aangezien we gedwongen zijn te communiceren binnen de referenties van een wereld die aan ons wordt opgelegd. Het neerleggen van die conventies leidt onherroepelijk tot isolement en onze ondergang.

Die Verwandlung - F. Kafka

Het is niet de eerste keer dat ik mijn fascinatie uitspreek over het gebrek aan dynamiek in de conventies die we collectief als referentie gebruiken. Het is mijn zelfopgelegde onvermogen om vrede te nemen met wat is. Nu meer dan ooit. Ik neem de term midlifecrisis niet graag in de mond,” zei mijn therapeute mij, “maar je zit in een midlifecrisis in die zin dat je op een keerpunt in je leven bent beland, de evaluatie opmaakt van wat je allemaal al hebt meegemaakt en nu vooruitkijkt naar hoe het verder moet en wat je wil veranderen.” Wakker worden als een kever neem ik me vooralsnog niet voor, maar het lijkt me niet ongezond om mezelf blijvend te confronteren met hoe het anders kan. Metamorfose als groei, als evolutie. De stereotype vlinder uit de stereotype cocon.

Onze klassieke voorvaderen dachten daar wel anders over. Als je de 15 boeken van de “Metamorphoseion” van Ovidius er op naleest, wordt het snel duidelijk dat aan de Olympische goden werd toegeschreven de metamorfose als straf te gebruiken: Daphne die op de vlucht voor Apollo wordt veranderd in een laurierboom, Io die door Zeus himself als koe gecamoufleerd wordt, de nimf Echo die door Hera gestraft wordt en alleen nog kan spreken door te herhalen wat anderen zeggen en zo wegkwijnt tot alleen haar stem blijft naklinken, Athene die Arachnes hoogmoed straft door haar levenslang te laten weven in de gedaante van een spin en iedereen kent Narcissus die, eenmaal zijn tragische lot ondergaan, enkel als felgele bloem aan de waterkant te herkennen is. Onze menselijkheid en onze kwetsbare menselijke gedaante als hoogste goed en telkens door onze zo menselijke hoogmoed ook ons grootste offer. 

Apollo en Daphne - Bernini
 

Maar hoe vertaal je dat verder dan de metafoor? De metamorfoses die we zien bij de mensen rondom ons ligt uiteraard binnen hun menselijkheid. Hij/zij is een heel nieuw mens! Als herboren! We herdefiniëren onszelf, hebben onszelf heruitgevonden. Misschien is de metamorfose te hoog gegrepen. Wij mensen geraken theoretisch niet verder dan de mimesis. We creëren een nieuwe werkelijkheid door oude elementen in een nieuwe constellatie te kopiëren. We bootsen nieuwe elementen uit het leven na. We zijn geen ontpopte vlinder, we zijn kameleons die zich aan een nieuwe bestaande werkelijkheid aanpassen. De wereld verandert en dus veranderen we mee. De dappersten onder ons meten zichzelf een nieuwe kleur aan en creëren dan een bijpassende wereld er om heen. We tekenen personae uit, dopen hen onder nieuwe pseudoniemen en herdefiniëren onszelf. Denk aan de grootste immer veranderde kameleon uit onze recente populaire cultuur, David Bowie, die koketteerde met zijn gedaanteverwisselingen. Altijd op zoek. De vlucht naar het onbekende. Hij zwoer: “I don’t know where I’m going from here, but I promise it won’t be boring.” Wie ik ook word, saai wordt het niet. Het is immers iemand nieuw. Nieuwe modaliteiten. Nieuwe voorwaarden. Nieuwe grenzen. Altijd reiken naar wat buiten je bereik ligt. Ook al vraagt dat verandering. Buiten ons bereik, buiten onze comfortzone ligt een heel nieuwe wereld. Of zoals de meester het zelf zei: “If you feel safe in the area you’re working in, you’re not working in the right area. Always go a little further into the water than you feel you’re capable of being in. Go a little bit out of your depth. And when you don’t feel that your feet are quite touching the bottom, you’re just about in the right place to do something exciting.” Het klinkt allemaal zo eenvoudig en het blijkt dan toch zo aartsmoeilijk.

The many faces of David Bowie

 Als je toch eens even de tijd vindt, bekijk dan de opname van hoe Bowie zijn vriend Brian Molko vergezelt op het podium om als gast bij Molkos band, Placebo, het nummer “Without you, I’m nothing” te zingen. Molko schreef het nummer als eerbetoon aan zijn held, David Bowie. Brian Molko, zelf ook geen vreemde voor de mimesis. Zijn neo-antropomorfisme speelt zich af op het terrein van de androgyniteit. De zone die ligt tussen de stereotype mannelijke en stereotype vrouwelijk vorm van de mens. De zone waar ruimte is om geen van beide genders te moeten claimen en tegelijkertijd de rijkdom van de beide te kunnen dragen. De halfman-halfvrouw die in de Metamorpheion ontstaat na versmelting van de jager Hermaphroditus (zoon van Hermes en Afrodite: Herm-afrodite)  en de nimf Salmacis. Molko zei ooit: “I feel very comfortable with the way I look, and I feel very comfortable with the kind of confusion that it creates in people's minds.” Buiten de conventies treden. Het diepe water in. En daar gedijen.

Brian Molko

Of er mij als mens een metamorfose, dan wel mimesis te wachten staat, kan ik je nog niet zeggen. Ik heb alvast wel in dit schrijfsel een kleine mimesis betracht: een nieuwe tekst creëren in spiegelingen van oude geesten.
En Gregor? Gevangen in zijn exo-skelet. Hij verzuchtte: “What about sleeping a little longer and forgetting all this nonsense.”

vrijdag 12 maart 2021

Dagboek

 

“Van dag tot dag opschrijven wat er gebeurt, dat zou het beste zijn. Een dagboek bijhouden om greep op de werkelijkheid te krijgen.” Zo begint Jean Paul Sartre in 1938 zijn roman ‘La Nausée’, de Walging. Ik zie jullie nu al fronsen. Sartre? Ga je ons daar mee lastig vallen? Dat is wat de laatste bladzijde van dit magazine nodig had; wat literair snobisme. In deze tijden van sociale media had ik enkel nog de sarcastische ‘eye-roll emoji’ moeten toevoegen. Maar niet getreurd. Geen existentialistisch traktaat over de zinloosheid van je bestaan vandaag. Wel deze vraag: Doe jij dat nog? Een dagboek bijhouden? Dat fascineert me. Een dagboek om greep op de werkelijkheid te krijgen. En hoewel we misschien denken dat het afgelopen jaar weinig opleverde dat dagboekwaardig is, wil ik graag het tegendeel verdedigen. Het is wanneer we helemaal zijn teruggeworpen op onszelf, in lockdownmodus geïsoleerd, ontnomen van sociale diversies en op een streng contactdieet staan, dat we worden geconfronteerd met onze diepste zielenroerselen en meest duistere demonen. Het enige wat we nodig hebben is een schrijfstok en maagdelijk perkament. Heb jij een coronadagboek bijgehouden? Online for all to see? Veilig in een gecodeerd bestand op je laptop? Met een vierkleurenpen handgeschreven in zo’n schriftje met mini-hangslot? Zijn we niet verplicht aan ons nageslacht om over dertig jaar bij de vuurkorf passages voor te lezen uit het Danteske jaar 2020? Over de angst. Over de losgeslagen pendule tussen collectieve verantwoordelijkheid en individuele vrijheid.  Over de rellen en de rouw. Over Marc Van Ranst. Belangrijker nog: over hoe we er zijn doorgekomen. Met open mond luisteren de toehoorders hoe de gewone mensen van deze bijzondere stad een slotzin schreven aan hun grootste beproeving en hoe ze de bladzijde omkeerden. Schrijf, lieve stadsgenoten. Bedenk nu al een mooi einde. Het boek is bijna klaar. In 1947 schreef Gerard Reve in “De Avonden” deze laatste zin in zijn boek: “Alles is voorbij,” fluisterde hij, “het is overgegaan. Het jaar is er niet meer. (…) Ik ben levend. Ik adem, en ik beweeg, dus ik leef. Is dat duidelijk? Welke beproevingen er ook komen, ik leef.” Hij zoog de borst vol adem en stapte in bed. “Het is gezien,” mompelde hij,”het is niet onopgemerkt gebleven.” Hij strekte zich uit en viel in een diepe slaap.

woensdag 23 december 2020

Urbi et Orbi

Ik weet het. Ik weet het. Het is een pretentieuze titel voor zo’n bescheiden stuk. Maar ‘Nieuwjaarsbrief aan de Stad.” heb ik een paar jaar geleden al opgebruikt. Paapse ambities heb ik vooralsnog niet en erg pontificaal is mijn boodschap al helemaal niet. Toch heeft 2020 me opgezadeld met een knauw in mijn maag, die ik via het toetsenbord zal moeten verteren. Het is niet zo zeer dat ik een Paaszegen wil uitspreken aan mijn gekwetste stad en aan onze manische wereld, dan wel een universele wens overmaken aan iedereen die het horen wil. Van de cives romani van ons provinciaal tintelend nest, tot de taalarme barbari van verre oorden die getriggerd door de apostolische premisse van de titel via Google Translate proberen mee te lezen.

Hoewel een aantal nieuwskanalen zich er ondertussen aan waagden, ga ik stellig beweren dat een jaaroverzicht zinloos is. Vrijdag 13 maart 2020 ging ons land in lockdown. Wat er precies gebeurde in januari en februari weet niemand nog. Wat er sindsdien gebeurde, is voor eeuwig in het collectieve geheugen gegrift. Elke keer er vaag gealludeerd werd op een klein lichtpuntje op het einde van deze donkere lockdowntunnel, werden we even snel weer met onze voetjes op de wakke en duistere moerasgrond van 2020 gezet. Dus deze winterzonnewende aangrijpen om te spreken over de voornemens en kansen voor het nieuwe kalenderjaar ga ik jullie, en mezelf ook, besparen.
De put was te diep om te denken dat we er met een Hallmark-kaartje zullen uitkruipen. Misschien is dat de enige les die we moeten meenemen. Het was zwaar. We hebben afgezien. We hebben gejankt. We hebben gebruld. Maar dat is oké. Het is bijna louterend. Het heeft ons collectief een nieuw perspectief bezorgd. We zijn in een spreidstand gaan staan. Verregaand collectivisme door met een overgrote meerderheid onze verantwoordelijkheid te nemen en ons sociale leven te laten herdefiniëren omdat andere mensen er ziek van werden enerzijds. En de mensen die op Charleroi-airport stonden omdat zij menen een uitzondering te zijn op zowat de rest van de wereld anderzijds. Het heeft geen zin om boos te worden op hen. Als die mensen het nu niet leren, zullen ze het nooit doen. Ze zijn een andere soort. Zij leerden geen empathie. Zij hebben geen perspectief op eerder lijden. Zij hebben te weinig liefde gekend in hun leven.

Daarom dat ik aan alle anderen het volgende wil wensen: “Met alles wat er dit jaar gebeurd is, is het tijd om eerder lijden los te laten.” We hebben een nieuw perspectief. Laat dat je voornemen zijn voor dit jaar: Kies één pijn uit het verleden en neem er afscheid van. Zo maar. Weg ermee. Ballast overboord om hoger te kunnen vliegen. Wandel weg van de dingen die jou nu niet meer helpen en neem enkel de les mee die je er uit leerde. Laat los. De toekomst heeft het nodig. Er zijn ongetwijfeld geesten en demonen uit het verleden die dit jaar zijn ingehaald. Verdriet dat je hebt beleefd. Verlies dat je hebt ervaren. Mensen die jou hebben gekwetst. Laat hen los en wens hetzelfde toe aan diegenen die jij zelf kwetste. Het is mooi geweest. Vergeef jezelf om het toe nu te hebben vastgehouden. Vergeef de anderen opdat je zelf vooruit kan. Er kruipt te veel energie in boosheid. Louter jezelf. “Het ware geluk bestaat hooguit uit de illusies daarover.”, leert Erasmus ons. Het leven doet pijn, en dat is oke. Dat hoort er bij. Pijn van het verleden is al waar hij thuishoort. Voorbij.

Zorg dat je klaar bent voor de herstart. Wees onbevangen. Zoek wat jou zuurstof geeft. Niet wat anderen verstikt. Je hoeft niet te leven in functie van anderen als jij dat niet wil. Kies je eigen doelen. Ben je ze beu? Herschrijf ze dan. Het is tijd om los te laten wat jou weerhoudt om vlucht te nemen. Wat maakt het eigenlijk uit wat ‘men’ zegt? Het is oke om op te geven als jij het niet langer wil. Heb je je best gedaan en is het niet gelukt? So be it. Fuck it. Het was Bobby, de jongste van de vermoorde Kennedy’s die zei:“Alleen wie het aandurft om groots te falen, krijgt de kans om groots te slagen.” Er is geen reden om langer dan nodig vast te houden aan dat falen. Laat mensen falen. Houd het hen niet te goed. Net zo min dat jij wil dat anderen vasthouden aan jouw dwalingen. Durf jezelf te tonen en kijk wie er overblijft.

Stel jezelf de vraag: Op wie probeer jij in hemelsnaam nog indruk te maken? En waarom?  “You are who you are when nobody’s watching.”, fluistert Stephen Fry.

Weet jij eigenlijk welke mensen er onvoorwaardelijk zijn in je leven? En belangrijker: weten die mensen dat? Het is mooi om dank je te kunnen zeggen. Bedank mensen die onbaatzuchtig in je leven zijn. Bedank mensen die je helpen. Zo maar.

We krijgen met z’n allen een nieuwe kans binnenkort. Wat wil jij geleerd hebben tegen dan? Ik ga alvast proberen, en ik wens jou hetzelfde toe. Wees onbevangen. Lees. Leer. Er is geen Dag des Oordeels. Het moet nu. Het mag straks opnieuw. Eindelijk. 

zaterdag 21 november 2020

In Ballingschap

Zaterdagochtend. Radio1. Vox. Een elektrische piano slaat een F-akkoord, of zo speel ik het toch tenminste, gecombineerd met een tokkel van 3 noten aan de rechterhand. Ik herken het meteen. Het is het nummer dat de voorbije weken meer dan eens eindeloos op repeat door huis heeft gespeeld. Ik moet toegeven dat het een moment van genie was van juffrouw Taylor Swift om Justin Vernon, aka Bon Iver, te vragen om de lead te nemen in het nummer Exile. De tragische dialoog tussen ex-geliefden. De bede begint met de verzuchting van Bon Iver, tot in vederlichte treurnis, krijgt repliek van Taylor en vervolgt in een dovemansgesprek en een droeve welles-nietes. De drammende pianoakkoorden, de drijvende strijkers, het is een klein meesterwerkje. Daar moet je dan 42 voor geworden zijn. Om op Spotify op zoek te gaan naar een album van Taylor Swift. Maar de tragiek van het liedje is van een ontroerende schoonheid en laat dat nu net mijn achilleshiel zijn. Weinig emoties roepen zoveel empathie op als hartpijn. De absolute kwetsbaarheid. De tragiek van verlies. De absolute schoonheid van het falen. La condition humaine in mineurakkoorden. Het is de immer spelende muze. Exile. De liefde in ballingschap. Verbannen van het geluk. Het metaforische Socratische dilemma: ballingschap of de gifbeker?

In het schrijversatelier waar ik elke week word uitgedaagd om nieuwe personages uit mijn pen te drijven in voorgeschetste decors, is het ondertussen een eigen verwachtingspatroon geworden dat ik geen enkele protagonist het zuivere geluk gun. Ze dragen allemaal intrinsiek tragiek in zich mee. De oude Grieken waren de scheppers van de tragedie. Het Dioynische bokkenlied waarin de mens door zijn tekortkomingen, zijn hybris, in het ongeluk wordt gestort. Het is wat mij het meest fascineert in de mens. Niet uit leedvermaak of gratuite cynisme, maar omwille van de puurheid ervan. Het onvermijdelijke. Het onomkeerbare. Het is overal rondom ons. In elk stadium van ons leven.

De tragiek van oud zijn, te leven met enkel een verleden maar zonder toekomst. De tragiek van onze jeugd, te leven zonder verleden maar eveneens zonder perspectief. De tragiek van de gehuwden in het kwetsbare vasthouden. De tragiek van de gescheidenen in het kwetsbare loslaten. De tragiek van de tijd. Onvermijdelijk en onomkeerbaar. Vorige week legde ik nog uit dat mijn romantiek te vaak als cynisch of hopeloos melancholisch wordt aanzien. Maar ik ben geen pessimist. Zoals Leonard Cohen het zo mooi verwoordde: “I don't consider myself a pessimist. I think of a pessimist as someone who is waiting for it to rain. And I feel soaked to the skin.” Maar ik ben geen cynicus of misantroop. Ik noem het misantropofilie. Een voorliefde om het negatieve in de mens te zien. Zeg nu zelf, zo klinkt het toch veel positiever.  

En terwijl ik de winterkoude in staar, begint het volgende nummertje op Radio 1. “Let me love you” van Lana Del Rey. Opnieuw dat treurige F-akkoord op de piano. Opnieuw die melodramatische treurzang zoals alleen Lana dat kan. De soundtrack van mijn melancholische mijmering lijkt voorgeprogrammeerd. “Talk to me in songs and poems, don’t make me be bittersweet.” zucht ze. Het bitterzoete leven, gezalfd door de poëzie. De winterochtend wolkt weemoedig samen. Even het schuifraam open zetten. Diep ademhalen. Zuurstof vangen. Lucht geven aan de poëzie. Koud. Zuiver. Schoon. Schrijven maar.  

vrijdag 13 november 2020

Stuurloos maar nooit verloren

We zijn ongeveer halverwege de 19de eeuw. De vuile kleine straatjes van Montmartre. Uit kleine cafeetjes klinkt manische accordeon- en vioolmuziek. Het is het uur dat dronkaards en prostituees de straten van la Butte overnemen. In een hoek van Brasserie Le Tambourin zitten zes mannen onder hoge aangedampte spiegels rond een te klein tafeltje. Ze debatteren luid, ontsteken soms in dronkemansliederen en slaan elkaar broederlijk de armen om. Op de tafel staan lege glazen die in het flauwe lichtschijnsel hun kleverige fluo-groene absintbodems verraden. De ruimte is gevuld met een dichte mist van exotische rookwaren. Het zijn schilders, dichters, schrijvers en andere gelukszoekers die naar Parijs zijn gekomen omdat hun verloren ziel hen hierheen dreef. Naar hun lotgenoten. Ze dragen trots de geuzennaam “Bohémiens”, die ze kregen omdat hun zorgeloze, onthechte manier van leven doet denken aan de ongebonden zigeuners uit Bohemen. Straks als ze door de waard worden buitengegooid kruipen ze terug naar hun kleine mansardes in de oude huizen van de stad. Vechtend met hun demonen, smekend bij hun muzes. Leven voor de kunst, zonder te kunnen leven van de kunst. Ze zijn de marginalen van de nieuwe bourgeoisiecultuur. Ze vluchten in hun dromen en hun oeuvre uit de verstikkende samenleving. Ze dwepen met hun eigen tragiek. Ze walgen van de conventies die in strakke verwachtingspatronen aan de moderne mens worden opgelegd. Ze weigeren te conformeren. Ze zijn vrij. Althans dat is het doel. Vluchten. Vrij zijn.

L'Absinthe - Edgar Degas
  

Flashforward naar de 21ste eeuw. Op mijn twitter-timeline loopt een clickbait artikeltje voorbij van CafeBabel. Dat is de naam van een collectief dat zich het eerste internationale participatieve magazine noemt. De titel van het stuk: Are you a hipster or a Bobo? Het is een existentiële vraag voor barista’s die twijfelen over de lengte van hun baard, de motieven van hun hemden en bretellen en kleuren van hun traditional tattoos. De Bobo, is de Bourgeois Bohème. Vrij vertaald: de onconventionele conformist. Bohémien zijn is een mode geworden. Iedereen wil graag laten zien dat ze vrijdenkers zijn en doen dat met de gedroogde bloemenboekets, kringwinkelfinds en obligatoire tatoeages waartoe ze via al hun digitale media worden verleid. Bohémien zijn is een instagramindustrie geworden. Het is een luxelook geworden. Een compleet misplaatste toe-eigening van de geuzennaam van onze tragisch romantische kunstenaars. Waarin zit de vlucht? Waarin zit de strijd? Welke vrijheid wordt in het vaandel geschilderd? Waar zit de kunst, de tragiek? Waar zit de authenticiteit? 

graduatesinwonderland.com

 
Bestaan ze nog? De echte bohémiens? Nu hun gedachtegoed gecommercialiseerd is? Mag je jezelf bohémien noemen als de samenleving jouw levensstijl faciliteert? Onze samenleving is an sich niet zo zeer veranderd. We volgen nog steeds collectief de oeroude gecultiveerde conventies. Genormeerd conformeren is nog steeds de makkelijkste weg. Niet meer om ons zielenheil te verdienen. Maar om hier en nu anoniem onder de radar te kunnen blijven. Om sociaal comfort. Om ons economisch oeuvre uit te bouwen. Om onze mama’s niet teleur te stellen. Ik ken er niet veel: mensen die hun rug hebben gekeerd en echte vrije geesten zijn. Ik bewonder hen. Niet omdat ik het noodzakelijk eens ben met hun idealen, maar omdat ze tonen dat ‘het niet moet’. We worden verteld hoe we ‘horen’ te leven. Wat we mogen en niet mogen. Wat kan en wat niet kan. En alles wat daarvan afwijkt, betaal je cash. Het sociale oordeel is onverbiddelijk. En hoeveel mensen zijn daar écht ongevoelig voor? Ze zijn met weinigen. Dromen. Vluchten. Vrij zijn.

Afgelopen zomer reed ik met een vriend naar Zuid-Frankrijk. Zomaar. Omdat het vakantie was. Omdat het kon. Omdat we tijd hadden en op vijf dagen tijd een roadtrip doorheen de Franse geschiedenis wouden maken. Ongebonden. Op reis. Geen verplichtingen. Vluchten in de romantiek van het verleden. Dwepen met wat was. Het hier en nu vergeten en mijn vingers laten glijden over de ruïnes van lang vervlogen tijden en ondertussen schrijven over wat de ruïnes met toefluisterden. Even proeven van hoe dat voelt. Even bewust onthecht zijn en rondtrekken doorheen ruimte en tijd. In het envoi van het reisdagboek dat ik schreef naar aanleiding van onze reis, schreef ik een gedicht dat voor mij dat gevoel moest vatten. De laatste verzen zijn: De dromen groot, de harten klein. / Stuurloos maar nooit verloren; / we zijn nu waar we horen./ Dit volstaat: het onderweg naar ergens zijn. /

Wat mij betreft een mooie metafoor voor het leven. Groot dromen. Niet bang zijn om stuurloos te zijn. Het is niet belangrijk of je voldoet aan de vooropgestelde doelen. Het onderweg zijn is het mooiste.

Onlangs zat ik te kijken naar “The Origins Project”, een reeks van gesprekken die de Amerikaans-Canadees theoretisch natuurkundige, kosmoloog en populairwetenschappelijk auteur Lawrence Krauss voert met iconen van onze tijd. In deze specifieke episode nodigde hij acteur Johnny Depp uit voor een twee uur durend gesprek voor een vol auditorium van academici. Een dialoog met de titel: Finding the Creativity in Madness. Voor de hele duur van het gesprek zien we de veelzijdige acteur ongemakkelijk kronkelen omdat hij te kijk wordt gezet als een studie-object voor de wetenschap in hun zoektocht naar de correlatie tussen artisticiteit en waanzin. Het heeft iets betuttelend hoe het publiek Johnny Depp beloont voor de tragiek van zijn getroebleerde geest. Hij is de bohémien die onder de loep van de wetenschap moet. Hij is onconventioneel. Hij is onthecht. Hij is bizar en kleurrijk. Dus moet hij wel mad zijn, crazy. Twintig minuten in het gesprek steekt de onrustige Depp plots een joint op, duidelijk op zoek om zijn onrust wat te stillen. De gastheer lacht ongemakkelijk, wetend dat roken niet alleen niet toegestaan is in het gebouw, maar dat het opsteken van een joint in een opgenomen gesprek dat over de hele wereld zal beschikbaar zijn, naar Amerikaanse normen uiteraard very ‘not done’ is. Omdat hij zijn gerenommeerde gast ook niet kan terugfluiten, besluit de gastheer met:  “I only like it, cause it’s breaking the rules.” Het is het ultieme symptoom van de conformist. Rebellie bij anderen bewonderen, maar nooit zelf de regels doorbreken. Het is tragisch. Het is de samenvatting van het hele gesprek. De fascinatie voor de bohémien. Kijken naar hoe anderen durven onconventioneel zijn. 

Finding Creativity in Madness - The Origins Project
 

Hetzelfde zagen we bij de oorlogsgeneratie die meewarig het hoofd schudde en lachte met de naïviteit van de Flower Power. Ze keken naar hun hippiekinderen en waarschuwden hen dat hun idealen van vrijheid, non-conformisme en liefde illusies waren. Dat hun maatschappijvlucht niet thuishoorde in het nieuwe consumentisme van de 20ste eeuw. De beweging zou dan ook snel uitdoven omdat er geen ruimte was voor de bohémiens van de jaren ’60. Het lijkt of er om de zoveel decennia weer een zoekende generatie opduikt. Die moeite heeft met de spelregels. Die probeert te ontsnappen aan de voorgeschreven piste.

Ik herken zo ontzettend veel van de idealen van de Romantiek, van de onrust van de bohémiens … maar ik ga hun faam niet bezoedelen door mezelf als een van de hunne te rekenen. Ik schrijf dit in mijn kleine huisje, omringd door al mijn boeken, mijn gitaren en piano, mijn volgekribbelde schriftjes, bij het haardvuur. Ik ben aanbeland op een punt in mijn leven dat de reis, de vlucht, de droom, de zoektocht opnieuw aanvang neemt. Het is weggelachen als een midlifecrisis. Iedereen gooit de grote waarom-vraag voor je voeten. Omdat je niet gedaan hebt wat er werd verwacht. Omdat je gedaan hebt wat niemand verwacht. Wat niet hoort. En dus probeer ik het te verklaren. Met mijn woorden van de Romantiek. Of zoals mensen stomverbaasd waren dat ik op mijn 42ste plots een tatoeage liet zetten. Midlifecrisis? Tot ik het resultaat toonde en in een kort essay vertelde hoe existentieel de vos en de ganzenveer vertellen wie ik ben. Twee eenvoudige symbolen uit de Romantiek. De reacties keerden zich. Iemand beweerde zelfs dat het de eerste keer was, dat hij een tatoeage zag die hij waarachtig vond en die zijn kijk op die hele lichaamscultuur had gemilderd. Mensen lazen het verhaal en zagen plots hoe de lijnen op mijn arm de terechte samenvatting waren van de persoon die zij al die jaren kenden.      

Het zijn kleine beetjes eigenheid. Kleine beetjes zoektocht naar authenticiteit. Misschien de meest waardevolle van al onze eigenschappen. “What would you do if you were not afraid?” Het is een vraag die ondertussen gereduceerd is tot een insta-quote, maar ze stelt ons allemaal voor de essentie: wat als je kon doen en zijn wat jij wil, zonder het oordeel van anderen te vrezen. Het is een vraag die iedereen zich moet stellen. Maar mag dat? Allemaal kiezen voor de vrijheid?

“Wie zal er voor de kinderen zorgen?”, zong Luc De Vos, Gentse bohémien in 1998, “Het gaat over als je niet beweegt, als je stil blijft gaat het over.” Is dat wat we onze kinderen verschuldigd zijn? Gewoon stilzitten en dan gaat het wel over. Is dat hoe we best voor onze kinderen zorgen? Of willen de Romantiek in hen installeren? Kleine bohémiens van hen maken. Leren dat liefde, kunst en vrijheid het mogen winnen van conventies, instituten en verwachtingen. Dat ze zichzelf moeten zijn. Onbevreesd. Authentiek. Dromen. Vluchten. Vrij zijn.

Stuurloos, maar nooit verloren.